Voor Deef
Daar waren zachte orgel-tonen, en gouden kaarslicht om 't altaar,
en ik weet niet of ik ooit in later, hoger dromen,
jou nog zal zien zo schoon, en zo devootlijk-vrome
met heel dien lichtschijn om je donk're haar.
Daar kwam alleen na stil-verloren zwijgen, innig en klaar,
een priesterzang binnen den droom van mijn gepeinzen stromen,
ik hoorde niet, ik zag alleen zo zuiver en volkomen,
jou staan aan 't bloeme-groen altaar -
Jongen, wat was je mooi, wat was je stil,
hoe waren je ogen lichten van jouw weten,
en scheen je alles om je heen vergeten,
denkend alleen aan énen hogen Wil, -
en nu, ... ik hoor weer diezelfde zachte orgelzangen,
en zie jouw ogen, dónker van verlangen.
(Jan Campert)