Men moet...
… een beetje zot zijn ...
Door de godsdienstleraar op pad gestuurd
op een interview af te nemen
zitten zij voor mij aan tafel.
Ik hoor de stereotype vragen al aankomen:
"Wat is roeping?
Wanneer heb jij een roeping gehad?
Waarom ben jij priester geworden?"
Ze lezen de vraagjes af van hun papier.
Het hadden even goed vragen kunnen zijn
over dinosaurussen.
Het is duidelijk: dat zijn hun vragen niet.
De priester en de religieus is voor hen een rariteit
die ver buiten hun leefwereld ligt.
Greenpeace ja, en Artsen zonder Grenzen
en blauwhelmen
mensen die durven ingrijpen
in de brandhaarden van de wereld.
Dat allemaal wel, maar roeping tot geestelijke
om gestadig te werken aan een nieuwe gezindheid
aan de grondhouding van de gewone mensen ...
Dat is wat anders.
Daar is niets avontuurlijks aan.
Dat is niet spectaculair.
En je moet er zoveel voor missen...
Waarom wordt een jongen dan toch priester?
Het antwoord slaat op het intiemste van een leven.
Omdat hij zijn hart verloren heeft aan God.
Men moet een beetje zot zijn ... van God.
Bij een roeping komen de wittebroodsweken reeds
voor het eigenlijke engagement.
Het is een liefde die niet loslaat
en alles anders maakt.
Archimedes zat in zijn bad
voelde de opstuwende kracht van het water
en vond de formule van het soortelijk gewicht.
Eureka! riep hij uit.
Andreas, de apostel, heeft een dag
bij Jezus doorgebracht.
Hij voelde de stuwende kracht van God in die mens.
Eureka! zegt hij 's anderendaags
tegen zijn broer Simon.
Ik heb Hem gevonden.
Hetzelfde Griekse woordje,
maar wat een andere inhoud.
We zitten met z'n allen
in de belangstellingssfeer van Archimedes.
We zijn opgetogen over de onthullingen
van de wetenschap en de roes van de vooruitgang.
Wellicht komt ooit de tijd
dat wij het betrekkelijke ervan zullen inzien,
zullen opgaan in het Eureka van Andreas
en verrast zullen stilstaan
bij wat God in een mensenleven kan betekenen.
(Manu Verhulst)