De priester is...
… een geschenk voor de gemeente,
dat van Christus zelf afkomstig is,
uit de volheid van Zijn priesterschap (nr.4)
Paus Johannes-Paulus II in zijn Brief van Witte Donderdag 1979
Priester zijn...
… betekent getuige zijn van het wonder, zo formuleert N. Lohfink het zeer mooi.
Hij bedoelt: van het wonder nl. dat de kerk constant stichting en geschenk van God is.
Daarmee is door de structuur van het ambt als het ware in de kerk geregistreerd, dat de gemeente der gelovigen
nooit zichzelf genoeg kan zijn
uit G. Greshake, Priester zijn, Averbode, 1983.
Man van God, man van de gemeenschap
… Een priester is een man van God. Hij is dienaar van de Heer.
Hij kan daden stellen die hun natuurlijke werking overstijgen, omdat hij handelt in persona Christi.
Via hem wordt een hogere deugd doorgegeven, waarvan hij, nederig en glorievol,
op bepaalde momenten tot een valide instrument is gemaakt.
Hij is drager van de heilige Geest. Een unieke relatie, een opdracht, een goddelijk vertrouwen
ontvouwt zich tussen hem en de wereld van het goddelijke.
Nochtans ontvangt een priester deze gave niet voor zichzelf, maar voor de anderen:
deze heilige dimensie is in haar geheel gericht op de apostolische dimensie,
dat wil zeggen op de priesterlijke zending en dienst.
Dat is voor ons helder: een priester is een mens die niet voor zichzelf leeft, maar voor de anderen.
Hij is een man van de gemeenschap. Dit is het aspect van het priesterlijk leven dat vandaag het best wordt begrepen.
De dienst die hij aan de samenleving bewijst, vooral aan de kerkelijke gemeenschap,
rechtvaardigt het bestaan van het priesterschap ten volle.
De wereld heeft het nodig. De Kerk heeft het nodig.
Paulus VI -
Boodschap aan de priesters van de katholieke Kerk -
30 juni 1968